Zoeken naar wijsheid

De heilige Koran

De verhalen in de Koran

De Koran bevat allerlei soorten regels voor de moslimsamenleving, maar ook verhalen en lessen die passen in de actuele situatie van een bepaalde tijd en plaats.
Al lezend ontdekken we dat de Koran moeilijk te begrijpen is. Want de lezer stapt de verhalen in zonder voldoende achtergrondinformatie. Personen en situaties worden niet in een historische context geplaatst, maar ze worden zonder enige toelichting slechts fragmentarisch besproken. Feiten zijn daarbij vermengd met geestelijke lessen.

Bijbelse verhalen

In sommige delen van de Koran herkennen we bijbelse verhalen. Zoals reeds opgemerkt, bezat Mohammed geen geschreven tekst van de Bijbel. Er was geen Arabische vertaling en als die er was, dan kon hij hem volgens de meest verbreide opvatting niet lezen. Je komt in de Koran dus geen citaten uit de Bijbel tegen. Maar ’t is begrijpelijk, dat Mohammed Joodse en christelijke predikers gehoord heeft en delen van wat hij hoorde en/of begreep gebruikte in zijn boodschappen.

In de Koran worden verhalen verteld over Abraham, Mozes, Jozef, David en Jezus. Maar ook anderen worden vermeld, zoals Adam, Kaïn en Abel, Noach, Lot, Isaäk en Ismaël, Jacob, Aäron, Haman (maar dan gezien als een officier onder Farao), Taloet (een onbekende naam, maar blijkens de verhalen is hij gelijk te stellen is met Saul of Gideon; het verhaal over hem is een combinatie van Richteren 7 en 1 Samuël 17), Goliath, Salomo, Elia, Elisa, Job, Jonan, Zacharia, Johannes en Maria.

Maria is bijzonder, omdat ze de enige vrouw in de Koran is die met name genoemd wordt. Omdat haar naam in het Arabisch gelijk is aan Mirjam (Marjam), lijkt het er in sommige teksten op dat ze met elkaar verward worden. Want de moeder van Jezus wordt aangeduid als de dochter van Amram (ImraanSoera 3:35,36) en de zuster van Aäron (Soera 19:28).

Apocriefe evangeliën

Zo lees je over de pasgeboren Jezus die, terwijl hij nog in de kribbe ligt, spreekt en zichzelf bekend maakt als profeet (Soera 19:30). Een verhaal dat doet denken aan de apocriefe evangeliën, die ontstonden vanaf het einde van de tweede eeuw.

Rabbijnse geschriften

Andere passages vinden hun oorsprong in de rabbijnse geschriften zoals de Misjna, een weergave van de mondelinge traditie, rond AD 200 op schrift gesteld, en de Talmud, een nadere uitwerking van en commentaar op de Misjna, afgerond in ongeveer AD 500.
Er is bijvoorbeeld een verhaal over Kaïn die leerde de doden te begraven (Soera 5:31), dat afkomstig is van Pirke Rabbi Eliëzer, een rabbijns werk uit de 4e eeuw, hoewel het origineel gaat over Adam die zijn zoon begroef.
En in Misjna Sanhedrin 4:5 wordt vermeld, dat iemand die een mens doodt, het hele menselijke ras doodt en dat als iemand een ander beschermt tegen lijden, die persoon beschouwd wordt als de beschermer van de mensheid. Ook deze tekst heeft z’n weg gevonden naar de Koran (Soera 5:32).

Zo komen we in de Koran ook verhalen tegen over Abraham. Een rabbijnse brochure uit de 5e eeuw vertelt een verhaal van Abraham. We weten, dat deze aartsvader afkomstig is uit de stad Ur, in het zuiden van wat nu Irak heet. Nu komt het woord Ur overeen met het Hebreeuwse woord voor ‘vuur’. Abraham maakte zich in z’n jonge jaren erg boos omdat er in de stad zoveel afgodsbeelden waren. Hij sloeg ze stuk en haalde zich de woede van zijn stadgenoten op de hals. Ze gooiden hem in het vuur en schreeuwden: Laat zijn god hem helpen! En God maakte het vuur koud en verloste zijn dienstknecht Abraham. Daarom wordt deze volgens de brochure genoemd: Abraham uit Ur, “uit het vuur”.
En deze gebeurtenis wordt in de Koran vermeld om Abraham te tonen als een voorbeeld van gehoorzaamheid aan God.

Vertalingen van de Koran

De Koran bestaat alleen in het Arabisch en dient ook in het Arabisch gereciteerd te worden. Dat wordt ook wereldwijd in alle moskeeën gedaan, ook al spreekt de meerderheid van de moslims geen Arabisch, terwijl ze het evenmin verstaan. Velen leren de klanken en reciteren zonder precies te weten wat ze zeggen. Het is te vergelijken met de gewoonte die heel lang bestaan heeft binnen de de Rooms-Katholieke kerk om de gebeden en liturgie in het Latijn te houden.
Het lijkt er een beetje op, dat het belangrijker is dat de woorden van de Koran en de geloofsbelijdenis in de wereld gehoord worden, dan dat ze verstaan en begrepen worden. Opgemerkt moet worden, dat iemand als de eerder genoemde dr. Rashad Khalifa daar ook in duidelijke bewoordingen stelling tegen neemt.
Natuurlijk zijn er wel vertalingen van de Koran. Op deze site verwijs ik er soms naar en citeer ik eruit. Op het web kun je verschillende Nederlandse vertalingen vinden, die alleen verschillen in de manier waarop de godheid wordt benoemd (vertaald als God of onvertaald als Allah). Maar er zijn ook edities in diverse andere talen, zoals die van dr. Rashad Khalifa, die onderling wel iets meer van elkaar verschillen dan dat de Nederlandse edities doen.

Maar deze vertalingen mogen geen Koran genoemd worden. Het zijn slechts “verklaringen van de Koran”, omdat de Koran “niet vertaald kan worden”. Veelal verontschuldigen de vertalers zich voor hun arbeid, die echter nodig is om de onwetenden kennis te laten maken met dit boek.

Koran en Hadieth

In de Islam zie je een gelijksoortige ontwikkeling als in het Jodendom en christendom. Er kwamen veel boeken naast de Koran, met allerlei voorschriften en verhalen om de moslims instructies te geven voor het dagelijkse moslimleven, net als de Misjna en de Talmud in het Jodendom en de overvloed aan theologische werken in de diverse christelijke tradities.
Als de Koran over een bepaalde zaak zich niet helder uitspreekt, geeft de Hadieth inzicht aan de moslimleiders. De Hadieth is naast de Koran de tweede bron van de islamitische wet, de Sjaria. Voor veel moslims blijkt niet altijd duidelijk te zijn, wat uit de Koran komt en wat uit de Hadieth. Soms denken ze uit de Koran te citeren, terwijl ze in werkelijkheid de Hadieth citeren.
De islamitische wet wordt verklaard en toegepast door godsdienstleraars, die ‘oelema‘ (“zij die weten”) of ‘molla‘ genoemd worden. Het laatste is bij sji’ieten de titel van de opvolger van de profeet, de geïnspireerde en onfeilbare uitlegger van de Koran. De meest eerbiedwaardige onder hen ontvangt de titel ‘Ayatolla‘ (“teken van God” of “woorden van God”). Hun aanwijzingen, fatwa’s, zijn adviezen, maar zo’n advies heeft de kracht van een goddelijk bevel. We herinneren ons namen als molla Omar in Afghanistan en ayatollah Khomeini in Iran met zijn fatwa tegen Salman Rushdie.

Schuiven naar boven