Zoeken naar wijsheid

In een vreemde tongval

Eén van de opvallendste uitingen van de Geest (ook wel geestesgaven genoemd) is het spreken in vreemde talen, vaak aangeduid als “tongentaal”

De eerste keer dat dit verschijnsel in de Bijbel voorkomt, is in Handelingen 2. Als de Geest wordt uitgestort en de gemeente van Christus gevormd wordt, spreken de 120 gelovigen opeens in allerlei talen, die ze voorheen niet geleerd hadden. Bij twee of drie andere gelegenheden in het boek Handelingen komt dit verschijnsel eveneens voor. Verder wordt er alleen gewag van gemaakt door Paulus in zijn eerste brief aan de gemeente van Korinte. Daar was het blijkbaar een belangrijk punt geworden, dat vooral veel onrust teweeg bracht en bijdroeg aan een wanordelijk verloop van de samenkomsten.

Klank of taal?

De volgende vraag doet zich bij dit verschijnsel voor: Wat gebeurt er nu eigenlijk? We proberen aan de hand van de diverse teksten het fenomeen te beschrijven.

In Handelingen 2:4 is sprake van “vreemde talen”(NBV), “andere talen” (Statenvertaling), “andere tongen” (NBG51). In vers 6 gebruiken alle vertalingen het woord “taal”. In het Grieks worden er twee woorden gebruikt. In Handelingen 2:4 is dat ‘glossa’ (γλῶσσα, vertaald door tong of door taal, vergelijkbaar met het Franse ‘la langue’). Even later in vers 8 wordt het woord ‘dialektos’ (διάλεκτος, ons woord ‘dialekt’) gebruikt voor hetzelfde verschijnsel. Het verband maakt duidelijk, wat er precies gebeurt: de discipelen van Jezus, gewend zich uit te drukken in het Aramees of het Grieks, de voertalen in die dagen, spraken opeens in de talen van de Parthen, ​Meden​ en Elamieten, maar ook in de talen die gesproken werden in  Mesopotamië, Judea, Kappadocië, Pontus en Asia, Frygië, Pamfylië, ​Egypte, en de streken van Libië, dat bij Cyrene ligt. Maar ook Romeinen, ​Joden, Kretenzen en Arabieren hoorden hen in hun eigen taal spreken. Het is duidelijk, dat het gaat om gewone, menselijke talen. Het ongewone is, dat hier mensen die deze talen niet geleerd hadden, ze konden spreken. 

In 1 Korintiërs 12 wordt gesproken over “klanktaal” (NBV), “tongen” (NBG51) of “talen” (Statenvertaling), terwijl er in het Grieks alleen ‘glossa’ (γλῶσσα) gebruikt wordt. De woordkeuze van de NBV suggereert, dat het niet om een gewone taal gaat, maar om onverstaanbare klanken. Maar het zou vreemd zijn, als het verschijnsel dat Paulus hier beschrijft niet te vergelijken is met dat in Handelingen, hoewel het met hetzelfde woord wordt aangeduid. De conclusie moet wel zijn, dat het spreken in talen gaat over gewone menselijke talen. Blijkbaar wilde de Geest iets duidelijk maken door mensen die voor hen onbekende talen te laten spreken om de aandacht van alle toehoorders te richten op “de grote daden van God“.

Het talenwonder aangekondigd

Het wonder van de talen kwam in Handelingen 2 niet zomaar uit de lucht vallen. Want God had het in het Oude Testament al aangekondigd. Jesaja schreef de volgende woorden: … door mensen die een onverstaanbare taal spreken, en in een vreemde tongval zal tot dit volk spreken Hij, die tot hen gezegd heeft: Dit is de rust, geeft de vermoeide rust, en dit is de verademing – maar zij wilden niet horen.

God richt zich tot de leiders van Jeruzalem, het Joodse volk, waartoe ook priesters en profeten behoorden. Zij vervormen het dienen van God tot een systeem van regeltjes en wetten, maar houden hun harten gesloten voor de God, die exclusief tot Israël sprak, in hun eigen taal en de volkeren hun eigen gang had laten gaan. Die waren in de dagen van Paulus, maar ook al ver daarvoor, vervreemd van het leven van God. Tot zijn volk dat niet wilde horen, zegt God, dat Hij andere talen gaat spreken, in een vreemde tongval. Waarmee Hij zijn eigen volk gelijk schakelt met andere volken. Dat is precies wat je in het boek Handelingen ziet gebeuren. Het begint dat Gods Geest de volgelingen van Jezus in de talen der heidenen laat spreken – de Joden die uit al die landen naar Jeruzalem gekomen waren om het Pinksterfeest te vieren, verstonden hen. En in de loop van het bijbelboek lees je, dat steeds andere groepen door God aangesproken worden – Samaritanen, de Romeinse hoofdman Cornelius, en vervolgens in alle steden waar Paulus komt allerlei anderen. Tot in het laatste hoofdstuk duidelijk wordt, dat omdat het evangelie overal door (een meerderheid van de)  Joden afgewezen wordt, het evangelie ongeremd gebracht zal worden aan alle volkeren en “zij zullen wel luisteren“.

Het talenwonder is dus een teken dat duidelijk maakt, dat Israël in Gods handelen geen bevoorrechte plaats meer heeft – althans tijdelijk. Want het blijft natuurlijk staan, dat God in de eerste plaats voor hen Jezus uit de doden heeft doen opstaan. Die vervulling van die belofte, komt als Israël zich massaal bekeert tot de Messias en Jezus terug komt.

Een teken voor ongelovigen

Paulus kende de profetie uit Jesaja en citeert hem ook in de brief aan de Korintiërs en voegt er zijn conclusie aan toe: “Derhalve zijn de tongen een teken niet voor hen, die geloven, maar voor de ongelovigen; de ​profetie​ echter is niet voor de ongelovigen, maar voor hen, die geloven. De context maakt duidelijk, dat met “de ongelovigen” mensen bedoeld worden die tot “dit volk” behoren; ongelovige Joden. Voor hen was het teken van Jesaja bedoeld. Zij moesten gaan begrijpen, dat het niet meer uitmaakte of je Jood of heiden was, besneden of onbesneden. Voor hen moest het duidelijk zijn, dat Joden geen bevoorrechte positie bij God meer hadden en dat de heidenen niet eerst Jood hoefden te worden om met God te kunnen leven.

Ook het vervolg van de Korintebrief maakt dit duidelijk. Want als er in Korinte een ongelovige plaatsgenoot zou binnenkomen, vrijwel zeker een Griek en geen Jood, moest er niet vreemde talen gesproken worden maar in begrijpelijke taal. Want de Griek die binnenkwam zou anders alleen maar denken dat er wartaal gesproken werd en er niets van begrijpen.

Uitblinken tot opbouw van de gemeente

Voor het goede verstaan: alle opmerkingen van Paulus staan in de context van de gemeentelijke samenkomsten, bedoeld voor de opbouw van de gelovigen. Alle genadegaven en andere uitingen van de Geest worden ingezet tot opbouw van de gemeente. Maar wie in een vreemde taal spreekt, bouwt hooguit zichzelf op, zegt Paulus. Het klinkt haast een beetje verwijtend, alsof er oneigenlijk gebruik gemaakt wordt van iets dat God gegeven heeft. Maar de zorg van Paulus is, dat er in Korinte meer aandacht was voor geestesuitingen, dan voor het effect op de gelovigen: de opbouw van hun geloof en van de gemeente.

Natuurlijk is het mogelijk, zeker in die tijd in Korinte, dat er Joden de bijeenkomsten – die immers veel weg hadden van de bijeenkomsten in een synagoge – bezochten. Daarom verbiedt Paulus het spreken in talen niet. Maar naast zijn opmerkingen over de personen voor wie dit teken bedoeld is, stelt hij nog wat praktische regels in:

  • niet allemaal tegelijk
  • één of twee personen
  • een vertaler voor de toehoorders, zodat iedereen van de grote daden van God hoort en opgebouwd wordt.

Geen willoze werktuigen

Als de Geest werkt, raakt degene door wie Hij werkt, niet in een soort trance of extase. God maakt ons niet tot willoze werktuigen. Ook mensen die door de Geest geleid worden, gaan met overleg te werk: “De geesten der profeten zijn aan de profeten onderworpen, want God is geen God van wanorde, maar van ​vrede” (1 Korintiërs 14:32,33). Wie wil bijdragen aan de opbouw van de gemeente zou zichzelf dus vragen als de onderstaande kunnen stellen:

  • Waarom wil ik dit zeggen of doen? Zoek ik het goede voor anderen of speelt eigen eer ook een rol?
  • Is wat ik zou willen inbrengen geschikt voor deze groep mensen?
  • Is het passend in de situatie of brengt het juist onrust te weeg?
  • Zou het verstandig zijn om eerst ruggespraak te houden met een oudste in de gemeente?

foto: Pixabay

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Schuiven naar boven